O. tegen vzw Observatoire européen des Fondamentalismes en M. (2022-...)

Een vordering tot schadevergoeding wegens reputatieschade gebaseerd op artikel 8 EVRM en artikel 22 Grondwet is afgewezen omdat een dergelijke veroordeling zou neerkomen op een disproportionele inmenging in de expressievrijheid van verweerders. In deze zaak ging het om een reeks Twitter-berichten gepost door M. namens een organisatie die zich afzet tegen religieus fundamentalisme. De reeks berichten bevatten (felle) kritiek op een bekend persoon O. in Molenbeek (verbonden met de vzw Molengeek), waarbij O. geassocieerd werd met islam-fundamentalisme en de Moslimbroederschap. De rechtbank wees de vordering af als ongegrond omdat de polemiek tussen M. en O. duidelijk verband hield met een thema van maatschappelijk belang. Bovendien was O. een publiek persoon, zelf ook zeer actief op sociale media. De associaties met islamfundamentalisme hielden dan ook verband met een reeks publieke verklaringen en online berichten van O. Volgens de rechtbank vormt dit een voldoende feitelijke basis voor de weinig subtiele tot agressieve wijze waarop M. namens haar organisatie opinies uit over de politieke overtuiging van O. Het vonnis besluit: “Par conséquent, ces propos indéniablement désobligeants ne dépassent toutefois pas ce que Monsieur O. est à même de tolérer, en sa qualité de personnalité publique active notamment sur les reseaux sociaux (..). Sanctionner l’Observatoire et Madame M. pour les propos litigieux porterait une atteinte disproportionnée à leur liberté d’expression (..).

RB. Brussel 17 januari 2024, Auteurs & Media 2024/1, p. 101. Tegen dit vonnis werd beroep aangetekend.