RSCA Anderlecht versus Hauspie/Humo (2023-2024)

In een vonnis van 15 april 2024 in de zaak RSC Anderlecht tegen Jan Hauspie veegde de Brusselse rechtbank in ongewoon scherpe bewoordingen alle bezwaren van tafel die door eiseres in de dagvaarding en conclusies waren geformuleerd naar aanleiding van een kritisch artikel in het weekblad Humo met als titel ‘Mauve malaise: de diepe crisis bij Anderlecht’. Volgens eiseres bevatte het gewraakte artikel van journalist Jan Hauspie immers niet enkel een reeks onjuistheden, maar handelde Hauspie journalistiek onzorgvuldig door zijn verhaal eenzijdig te baseren op anonieme bronnen en vooral (misnoegde) ex-werknemers. RSCA vond dat op ongefundeerde en onevenwichtige wijze kritiek was geleverd op het management van de voetbalclub, en verweet de journalist ook dat het artikel onterecht zware aantijgingen bevatte aan het adres van sommige actoren binnen Anderlecht. RSCA eiste 50.000 euro schadevergoeding van de journalist wegens onrechtmatige journalistiek.

Op verschillende plaatsen in het vonnis luidt het dat de argumentatie vanwege RSCA ‘moeilijk ernstig kan genomen worden’, dat de eiseres de aangevoerde onjuistheid ‘eenvoudig niet hard maakt’ of dat de aantijgingen door RSCA ‘door geen enkel concreet element bewezen of zelfs maar aannemelijk (worden) gemaakt’. Elders stelt het vonnis ‘tot in den treure’ vast dat ‘geen enkele van de nochtans zeer talrijke klachten van eiseres omtrent beweerde onwaarheden in het bewuste artikel, overeind blijft’, dat sommige argumenten van RSCA ‘kant noch wal raken’, ‘bij elkaar gefantaseerd zijn’, ‘met de beste wil niet ernstig kunnen genomen worden’ of de uiting zijn van een ‘even gratuite als hoogdravende stelling’. Ook is de rechtbank van oordeel dat van enig foutief onevenwicht in het bewuste artikel in casu geen sprake is. Het vonnis merkt op dat ‘de afwezigheid van enig bewijs van een flagrante onwaarheid’, in fel contrast staat met de manier waarop ‘een professioneel sportjournalist, met een jarenlange ervaring en blijkbaar een gedegen professionele reputatie’ te werk is gegaan. De rechter vindt dat de ingezette procedure door RSCA ‘een verspilling (is) van publieke middelen’ en hij drukt de irritatie uit dat de rechtbank ‘tijd en energie dient te besteden aan het beantwoorden van (...) hersenschimmige banaliteiten’. De rechter oordeelde dat RSC Anderlecht deze procedure voerde om de journalist te intimideren en komt tot de conclusie dat de vordering ‘minstens flirt met de grenzen van het tergende en roekeloze’. Het vonnis wijst de vordering van RSCA af als ongegrond. Finaal komt RSCA weg met een veroordeling tot het betalen van 165 euro rolrecht en van een rechtsplegingsvergoeding van 1.440 euro. Geen veroordeling dus wegens tergend en roekeloos geding, waardoor RSCA ontsnapt aan de burgerlijke boete van maximum 2.500 euro in toepassing van artikel 780bis Ger. W. of aan de veroordeling tot een schadevergoeding aan de verweerder-journalist.

Zie ook Dirk Voorhoof, "Net geen rode kaart voor Anderlecht wegens ongeoorloofde juridische tackle”, De Juristenkrant 8 mei 2024, p. 7-8, en "Een gele, maar geen rode kaart voor ongeoorloofde 'SLAPP-tackle'”, noot onder Rb. Brussel 15 april 2024, inzake Royal Sporting Club Anderlecht NV t. Jan Hauspie, Auteurs & Media 2024/2, p. 299-305.