Conner Rousseau tegen DPG Media (2023-2024)

Op 28 september 2023 legde de voorzitter van de rechtbank in Dendermonde, na procedure op eenzijdig verzoekschrift ingesteld door Vooruit-voorzitter Conner Rousseau, aan DPG Media, en bij uitbreiding aan alle persorganen en audiovisuele media een zeer ruim en ongebruikelijk verbod op. Een verbod met name om enige informatie te verspreiden uit een pv of uit andere stukken uit het lopend opsporings- of gerechtelijk onderzoek. Dat onderzoek hield verband met het ondertussen in de media gerapporteerde tafereel waarbij Rousseau, in dronken toestand, uitspraken heeft gedaan die mogelijk in strijd zijn met de antiracismewetgeving. De voorzitter van de rechtbank liet na derdenverzet, het verbod overeind. Met name werd aan DPG Media NV verbod opgelegd, alsook aan “elke andere natuurlijke person, elke vennootschap rechtstreeks of onrechtstreeks verantwoordelijk, via om het even welke tussenpersoon of niet, via om het even welk persorgaan, medium of audiovisuele drager of gegevensdrager, stukken of informatie uit het PV of uit andere stukken uit het lopende opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek te verspreiden”. Er kwam felle kritiek op deze beschikking in kort geding, omdat het verbod neerkwam op een drastische uitholling van de grondwettelijke waarborg tegen preventieve maatregelen: het grondwettelijk verbod van preventieve censuur bleek niet van toepassing voor de rechter en bovendien werd een rechterlijke tussenkomst om iets wat geheim is uit de openbaarheid te houden, plots geen preventieve maatregel. DPG Media kon zich volgens de beschikking ook niet op de drukpersvrijheid beroepen omdat die vrijheid enkel zou gelden voor het uiten van meningen, niet voor het rapporteren van feiten.

De beschikking van 23 oktober 2023 werd evenwel bij arrest van het hof van beroep te Gent van 28 maart 2024 teniet gedaan. Het hof was van oordeel dat de vordering van Rousseau in strijd was met het verbod van censuur, geen voldoende wettelijke basis had, disproportioneel was, en niet gebaseerd was op een dwingende sociale behoefte. Het arrest benadrukt het belang van de vrijheid van meningsuiting als “één van de pijlers van een democratische samenleving”, met verwijzing naar het arrest van het Grondwettelijk Hof van 3 december 2009 (nr. 195/2009, nr. B.27.1) en het herinnert eraan dat gelet op het grote belang van de vrijheid van meningsuiting in onze democratische rechtstaat de beperkingen van dit recht door overheidsinmenging “beperkt en strikt” moeten geïnterpreteerd worden. Het arrest acht het met de beschikking op eenzijdig verzoekschrift opgelegde verbod een vorm van preventieve censuur, die neerkomt op een preventief publicatieverbod waarvoor geen voldoende wettelijke basis is, mede gelet op de artikelen 19 en 25 Grondwet. Het arrest vindt trouwens niet enkel een inbreuk op de voorwaarde in artikel 10. 2 EVRM inzake “voorzien bij wet”, maar verduidelijkt ook dat in België “zonder meer een preventief censuurverbod (geldt)” en dat daarom “slechts een curatief optreden mogelijk is en geen preventief”. Finaal is met het zeer ruim en niet in de tijd beperkte verbod niet voldaan aan die andere voorwaarde van art. 10.2. EVRM, nl. de noodzakelijkheid in een democratische samenleving. Het arrest komt tot dit besluit na evaluatie van de relevante criteria die moeten toegepast worden ingevolge de rechtspraak van het EHRM. Het hof voegt eraan toe dat het gewraakte verbod tot gevolg zou hebben “dat nagenoeg niets meer kan worden bericht of gepubliceerd omtrent feiten die het voorwerp uitmaken van een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek, terwijl burgers ook recht op informatie hebben, zeker wanneer het gaat om thema’s die het algemeen belang raken”.

Vermeldenswaard is nog dat het hof van beroep in het arrest van 28 maart 2024 de vordering van de VZW Vlaamse Vereniging van Journalisten, in tegenstelling tot de beschikking op derdenverzet, ontvankelijk verklaarde. Het arrest overweegt onder andere dat de VVJ het volgens art. 17, lid 2 Ger.W. vereiste belang laat blijken als tussenkomende partij. De VVJ verdedigt immers al ruim 20 jaar “de vrijheid van meningsuiting, onder meer van de journalisten, op verschillende manier en op duurzame en effectieve wijze”, en de VVJ streeft daarmee een collectief belang na. Bovendien vorderde de VVJ het gewraakte rechterlijk verbod opgelegd aan de media teniet te doen en dit niet enkel voor haar leden.

Voorz. Rb. Oost-Vlaanderen, afd. Dendermonde (eenzijdig verzoekschrift), 28 september 2023, inzake Conner Rousseau, Auteurs & Media 2024/1, 87. Zie ook Leo Neels, “De pers moet zwijgen”, Jubel 5 oktober 2023.

Voorz. Rb. Oost-Vlaanderen, afd. Dendermonde, 25 oktober 2023, inzake DPG Media NV t. Conner Rousseau, mede inzake de Vlaamse Vereniging voor Journalisten VZW (VVJ), vrijwillige tussenkomende partij, Auteurs & Media 2024/1, p. 80. Zie ook Dirk Voorhoof, “Media mogen geen informatie verspreiden uit stukken strafonderzoek in zaak Conner Rousseau”, De Juristenkrant 2023/477, p. 1 en 6-7, en "Media mogen geen informatie verspreiden uit stukken strafonderzoek in zaak Conner Rousseau", 15 november 2023, VVJ-website.

Gent 28 maart 2024, DPG Media NV t. Conner Rousseau, Auteurs & Media 2024/1, p. 65, met noot Koen Lemmens, “De pers kon erover berichten, maar mocht niet”, Auteurs & Media 2024/1, p. 76-80.