SA Groupe Sudmedia (2024)
Ook via een procedure in kortgeding kan een vordering worden ingesteld met manifeste SLAPP-kenmerken. Een concreet voorbeeld is de beschikking in kortgeding van de voorzitter van de rechtbank te Namen van 22 oktober 2024, op vordering van een hoofdinspecteur verbonden aan het Federaal Parket en de Cel Corruptiebestrijding (C. A.-R.) en de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse zaken. Eisers vorderden van de persgroep Sudmedia en de journalist Pierre Nizet het online verwijderen van een videoreportage, een geluidsfragment en drie artikels in verband met de zaak Qatar-gate betreffende het onderzoek naar corruptie door leden van het Europees Parlement. Bovendien eisten ze voor de toekomst ook een rechterlijk verbod van gelijkaardige berichtgeving via Sudmedia, “toute publication similaire à l’avenir” met de dreiging van een dwangsom van 50.000 euro. Als rechtsbasis werd verwezen naar het geheim van het onderzoek en de bescherming van de privacy en reputatie van de hoofdinspecteur.
Wat toekomstige reportages of publicaties betreft laat de rechter er niet de minste twijfel over bestaan dat die vordering kennelijk ongegrond en zelfs roekeloos is (“manifestement non fondée, voire téméraire”), met name omdat een disproportionele schadevergoeding werd gevorderd van 50.000 euro, maar vooral omdat de maatregel die werd gevraagd in strijd was met het censuurverbod van artikel 25 Grondwet en de rechtspraak van het EHRM in de zaak RTBF t. België. De beschikking benadrukt: “seul un usage fautif de la liberté d’expression, et come en l’espèce, de la liberté de l’information peut être réprimé, c’est-à-dire soumis à l’appéciation et à leur éventuelle sanction par les tribunaux de l’ordre judiciaire, et exclusivement a posteriori. Le Constituant a en effet considéré qu’un régime de responsabilité civile ou pénale suffit à combattre les éventuels usages fautifs de l’expression tout en garantissant a priori la liberté”.
Met betrekking tot de eis tot het offline halen van het video- en geluidsfragment en de drie artikels wijst de rechter de vordering tegen de journalist af als niet-ontvankelijk, omdat niet de journalist maar enkel Sudmedia als uitgever mogelijks aan dit verzoek kan tegemoet komen. De rechter wijst evenwel ook ten aanzien van Sudmedia deze vordering af, deels omdat de vordering niet langer hoogdringend is, maar ook omdat geen voldoende pertinente argumenten de noodzakelijkheid en proportionaliteit van een dergelijke inmenging, als voorlopige maatregelen via kortgeding, in de persvrijheid legitimeren. De beschikking beklemtoont dat niet is aangetoond dat de gewraakte berichtgeving foutief is en dat de hoofdinspecteur in de context van zijn rol in Qatar-gate een publiek persoon is die de journalistieke verslaggeving over dit ophefmakend onderzoek moet kunnen aanvaarden. Ook wordt het maatschappelijk belang van de berichtgeving in kwestie benadrukt: “Les informations (..) contribuent incontestablement à un débat d’intérêt général de nature à intéresser le public (..). Il est important en effet que les citoyens, lecteurs et internautes, aient connaissance de certaines pratiques de police en type de dossier particulièrement sensible”. De vordering in kort geding werd dus afgewezen, deels als onontvankelijk, deels manifest ongegrond want in strijd met de Grondwet en deels ongegrond wegens het niet vervuld zijn van de voorwaarden tot het opleggen van de gevorderde maatregel. De eisers werden veroordeeld tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding van 1.800 euro.
Voorz. Rb. Namen 22 oktober 2024 (Kort Ged.), C. A.-R. en de Belgische Staat vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse zaken t. SA Groupe Sudmedia en Pierre Nizet. Zie ook https://www.lalibre.be/belgique/judiciaire/2024/10/24/letat-belge-deboute-pour-sa-plainte-contre-sudinfo-liee-a-des-articles-sur-le-qatargate.